Hoe los ik meeldauw op mijn gipskruid op?
Gypsophila paniculata
Meeldauw op gipskruid herken je aan het witte, poederachtige laagje op bladeren en stengels, vaak veroorzaakt door te vochtige omstandigheden of te weinig luchtcirculatie. Begin met het verwijderen van alle aangetaste plantdelen en zorg voor betere ventilatie. Gipskruid houdt van droge, zonnige plekken, dus meeldauw ontstaat meestal bij te veel vocht of schaduw.

Meest waarschijnlijke oorzaken
Te weinig luchtcirculatie
Symptomen: Witte poederlaag verschijnt eerst op onderste bladeren en verspreidt zich naar boven. De plant staat te dicht op andere planten of in een beschutte hoek zonder wind.
Oplossing: Verwijder aangetaste delen en dun de plant uit door overtollige stengels weg te knippen. Zorg voor minimaal 40 cm ruimte rondom de plant en plant eventueel om naar een opener plekje.
Te vochtige standplaats of overmatig water
Symptomen: Meeldauw combineert met slap, donkerder blad. De grond voelt vaak vochtig aan, ook al heeft gipskruid weinig water nodig.
Oplossing: Stop met gieten en laat de grond goed opdrogen. Bespuit aangetaste planten met een oplossing van 1 deel melk op 9 delen water, herhaal wekelijks tot de meeldauw verdwijnt.
Te veel schaduw of halfschaduw
Symptomen: De plant bloeit minder rijkelijk en het blad blijft langer vochtig na dauw of regen. Meeldauw verschijnt vooral aan de schaduwkant.
Oplossing: Verplaats de plant naar een plek met volle zon, bij voorkeur op droge, doorlatende grond. Gipskruid presteert het best op zandgrond of kalkrijke bodem in volle zon.
Te stikstofrijke bemesting
Symptomen: De plant maakt veel zacht, weelderig blad dat gevoelig is voor schimmels. Het blad voelt slap aan en de meeldauw verspreidt zich snel.
Oplossing: Stop met bemesten en knip aangetaste delen weg. Gipskruid heeft nauwelijks voeding nodig; geef hooguit eenmaal per jaar wat compost in het voorjaar.
Plant gipskruid altijd op een zonnige plek met goed doorlatende, liefst kalkhoudende grond en geef weinig water. Houd voldoende afstand tot andere planten (40-50 cm) zodat de lucht goed kan circuleren. Vermijd bemesting en knip de plant na de bloei terug om de luchtstroom te verbeteren.